Opening Biënnale Nederlandse Kring van Tekenaars

Opening ‘Biënnale Nederlandse Kring van Tekenaars’, op 27 augustus 2016, door Rainer Bullhorst

zelfportret.potlood-fred-van-der-wal-a4_0
Na een eerdere tentoonstelling in Pulchri Studio heeft de Nederlandse Kring van Tekenaars besloten met ingang van 2016 eens per twee jaar een Biënnale te organiseren in dit gebouw. Dit biedt de mogelijkheid voor bezoekers en leden om te
kijken naar de stand van zaken bij de Kring en te focussen op tekenaars die hen eerder zijn opgevallen, maar ook om vaker te kijken, te zien, te volgen of misschien te kopen. U staat dus aan de wieg van een ongetwijfeld succesvolle toekomstige traditie.

Het moment om stil te staan bij de vraag: wat is tekenen?
De in 1896 in Berlijn als zoon van een Nederlandse vader en een Duitse moeder geboren kunstenaar Paul Citroen, ooit lid van de Kring, noemde in een publicatie begin jaren vijftig van de toen nog niet Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten te Den Haag als grondelementen van een tekening lijn en toon, afzonderlijk of
als combinatie van beide. Dunne lijnen, dikke, tere, krachtige, golvende, vibrerende, strakke, hoekige, vage, exacte, aanzwellende, uitvloeiende, emotionele, verstandelijke. Lijnen getekend met potlood, inktpen, houtskool, krijt en andere materialen.
De expressie van de lijn ontstaat niet alleen door het middel maar ook de ondergrond die uitermate vlak en glad kan zijn maar ook -als ander extreem- nogal ruig van textuur. Naar precisie strevende tekenaars zullen een voorkeur hebben voor het gladde vel, weer anderen zien juist een uitdaging in het weerbarstige. Of iemand naar de natuur tekent of werkt in abstracte composities, in alle gevallen gaat er zorgvuldige waarneming aan vooraf.

Ik herinner mij nog regelmatig mijn eerste les handtekenen aan de TU Delft die onze docent opende met de stelling “tekenen is leren kijken”.
Begonnen is dit met het op afstand meten van een object of wezen met het tekenpotlood, horizontaal, verticaal of diagonaal, één oog gesloten, om zo de dimensies en proporties letterlijk in de vingers te krijgen en aan het papier toe te vertrouwen.
Voor menigeen worsteling en topsport, met veel stuf- en gumwerk, maar o zo belangrijk. Pas achteraf besef je wat dit proces voor de ontwikkeling van de analytische waarneming en vorming van het visuele geheugen betekent.

Er wordt de laatste tijd regelmatig gediscussieerd over de plaats van de kunsten in het onderwijs. Moet tekenen nog wel, schilderen, muziek enzovoort? Van mij zeer zeker.

Om in mijn vak, de architectuur, te blijven, valt op dat gebouwen zienderogen anoniemer worden, het handschrift van de architect verdwijnt steeds meer.
Over handschrift gesproken: ontvangt u nog wel eens een brief, tekst of manuscript waarvan het schriftbeeld u kan bekoren? Losse letters, manueel typemachineschrift, zonder enige persoonlijkheid of schoonheid. Maar dit terzijde. Presentaties
van architectonische plannen vooral in de competitiefase munten meestal uit door een perfecte superrealistische ruimtelijke suggestie, maar ook door glad- en kilheid, het zijn slechts clichés. De gesuggereerde romantische luchten in deze presentaties moeten veel goedmaken.
Maar ook dat is niet meer het werk van de bouwkunstenaar zelf, hiervoor huurt hij een computerprogrammeur in. Ik heb liever de individuele kunst van tekenaars die met hun lichaam, hun verstand en hart te werk gaan. Dat deze werkwijze niet leidt tot kakafonie en zelfs een mooi en boeiend ensemble kan opleveren blijkt uit deze tentoonstelling. Ondersteund wordt dit mijns inziens door de kwaliteiten van de
Mesdagzaal. Met het mooie daglicht, de rustige wanden en verfijnde lambrizeringen, terughoudende kleuren zijn alle elementen aanwezig die helpen expositie en ruimte onlosmakelijk te verbinden. Een felicitatie aan het bestuur en de voorbereidingscommissie van de expositie om voor deze plek te kiezen is dan ook op zijn plaats.

Deze tentoonstelling van leden van de in 1947 opgerichte Nederlandse Kring van Tekenaars wil ‘de tekening als autonoom kunstwerk onder de aandacht brengen’. Zoals deze tentoonstelling bewijst huldigt de Kring dit uitgangspunt tot op de dag van vandaag. Toch wil ik beweren dat het belang van de tekening niet alleen als autonoom kunstwerk moeten worden gezien, maar ook als hulpmiddel of geïntegreerd element in de schilderkunst. Om die reden zal ik even stilstaan bij het werk van drie door mij bijzonder geapprecieerde schilders, te weten Piet Mondriaan, Paul Klee en Lyonel Feininger.
Geavanceerd technisch onderzoek naar het abstracte werk van Mondriaan bracht onder de donkere zware strepen tussen de kleurvlakken dunne potloodlijnen aan het licht die tijdens het schilderproces zijn aangebracht en soms meerdere malen om millimeters verschoven.
Een hulpmiddel van de vaak twijfelende schilder om zijn definitieve compositie te bepalen.
In het pointillistisch schilderij ‘Ad Parnassum’ van Paul Klee uit 1932 zijn lijnen zowel ordenend als symbolisch. In een publicatie van Pulchri van 2015 heb ik dit niet vanuit een interpreterende beschrijving van een kunsthistoricus, maar met de ogen van een architect uitvoerig geanalyseerd.
Tenslotte Lyonel Feininger. In zijn prachtige aquarellen en olieverven uit de jaren dertig van de vorige eeuw zorgen lijnen voor kaders en afbakeningen van kleurvlakken, geven richting aan en verduidelijken de compositie.

Het is u ongetwijfeld niet ontgaan dat ik nog geen aandacht heb besteed aan het hier geëxposeerde werk van de deelnemende kunstenaars. Die keuze is bewust, dat doen we samen tijdens het interactieve uurtje onder de noemer ‘In gesprek met …..’ in
deze zelfde prachtige Mesdagzaal, waarvoor u overigens bij deze van harte bent uitgenodigd.

Een citaat van de anderhalf jaar geleden op tachtigjarige leeftijd overleden kunstenaar Henk Zomer, wiens werk ook hier is tentoongesteld, wil ik u echter niet onthouden. In het boek van de Nederlandse Kring van Tekenaars uit 2009, getiteld ‘Een teken van inspiratie’ schreef hij: “Ik teken om te onderzoeken, de beweging van een lijf, structuren, water tegen rotsen, de branding, veranderingen van het licht, ik teken waar ik van hou; kinderen, dieren, vrouwen, het land en de leegte van de zee. Maar ook wat ik haat – oorlogen en wat mensen elkaar aan kunnen doen”.
Wat een integer mens.
In het afscheidswoord in januari 2015 herinnerde de Kring zich Henk Zomers warmte voor mensen en zijn vele talenten als kunstenaar, die hem dierbaar en bijzonder maakten. Hij kende de worsteling van de dichter, de musicus en componist,
de beeldende kunstenaar, de docent en levenskunstenaar. Zijn werk toont altijd een diepe betrokkenheid bij het leven en de keerzijde daarvan, de dood. Hij was enorm gedreven bij alles wat hij deed. Zijn werk blijft getuigen van zijn lyrische persoonlijkheid.

Als ik mij deze ontboezemingen nog eens voor de geest haal valt deze betrokkenheid in alle werken op bij deze tentoonstelling.
‘Een slechte tekenaar vervuilt het blad alleen maar’ constateerde Paul Citroen.
Geloof mij, ik heb in deze ruimte geen enkel vervuild blad aangetroffen.
Rainer Bullhorst